Dat ik niet goed in mijn vel zat begon eigenlijk al vroeg in mijn jeugd. Mijn naam is Lennard. Toen ik 4 jaar was zijn mijn ouders gescheiden. Door de verhuizing moest ik naar een nieuwe basisschool. Ik merkte al snel dat ik mij daar steeds anders ging voelen dan de rest.
Ondanks dat ik Christelijk opgevoed ben, was het dorp waar ik heen ging, een stuk intensiever bezig met het geloof dan ik. Contact maken met leeftijdsgenoten was lastig, door de andere interesses, gescheiden ouders, de buitenschoolse opvang en het gevoel van buitensluiting door leeftijdsgenoten.
Als ik hierop terugkijk, dan was ik een kind dat zich behoorlijk aan anderen kon opdringen vanuit een angst dat iemand mij niet zou mogen. Ik wilde zó graag bevestiging krijgen dat wanneer iemand mij mocht, ik eventuele afwijzing krampachtig probeerde te voorkomen. Dit had vervolgens het tegenovergestelde effect: ze gingen weg. Dit bevestigde vervolgens weer mijn angst om verlaten te worden.
Op de basisschool zat ik al niet goed in mijn vel. Mijn juffen hadden dit niet echt door, maar mijn moeder wel. Zij zorgde toen ook dat er meer hulp kwam. Ik kreeg een schoolmaatschappelijk werker en speltherapie. Ik kreeg toen ook meerdere onderzoeken om diagnostiek te doen, waaruit kwam dat ik hoogbegaafd was. Dit was best heel lastig eigenlijk. Ik voelde me helemaal niet slim door de schoolresultaten die ik behaalde, maar ik had ineens het gevoel dat iedereen hoge verwachtingen van mij had. Door deze hoge verwachtingen van anderen ontstonden er bij mijzelf ook hoge verwachtingen die ik graag waar wilde maken. Wanneer dit niet lukte, was ik erg teleurgesteld in mijzelf en zag ik mezelf als dom.
Ook verhuisden we in die tijd nog een keer. Dit keer naar de stad waar de nieuwe vriend van mijn moeder woonde. In het begin woonde zij nog apart, maar later trok de nieuwe partner van mijn moeder bij ons in. Dit maakte dat de afstand tot school erg toenam, en daardoor werd contact met leeftijdsgenoten weer lastiger. Mijn basisschool maakte ik af in mijn oude woonplaats, en dat was ook fijn om daar af te sluiten.
Na de basisschool keek ik toch ook wel erg uit naar het maken van een nieuwe start op de middelbare school, echter bleek dit niet zo positief nieuw te zijn als ik gehoopt had. Ik vind het, nu achteraf, lastig om het pestgedrag te noemen, maar ik voelde me zeker buitengesloten. Ik was in de eerste eigenlijk de enige in de klas die niemand anders kende, dat maakte het lastig om tussen alle bestaande groepjes te komen.
Vanaf de tweede klas op de middelbare school kwamen er eigenlijk steeds vaker zelfdodingsgedachten omhoog. Dit was ook het moment dat ik begon met zelfbeschadiging. Ik was toen van havo/vwo naar havo gegaan. Dit voelde als falen. Ook lukte het op havo niet goed om te presteren doordat ik mij zo slecht voelde. Dit werd niet echt gezien. Docenten noemden me vaak lui. Wat we toen nog niet wisten, is dat ik dyslexie en ADHD heb. Deze factoren speelden erg mee in de lastige periode die ik op school ervoer en verklaarden achteraf ook de vele onvoldoendes voor Frans, Duits en Engels en mijn moeite met het studeren.
In deze periode was ik erg somber. Ik praatte er veel over, maar niet op een helpende manier. Voornamelijk had ik contact met andere klasgenoten die zich ook somber voelde of met nare gebeurtenissen rondliepen. Het zorgde ervoor dat we met z’n allen in een negatieve spiraal kwamen. Via een soortgelijke weg ben ik toen ook in aanraking gekomen met zelfbeschadiging. Iemand die in mijn ogen altijd blij en vrolijk was, deed zichzelf pijn. Zou het mij dan ook helpen?
Ik heb de zelfbeschadiging eigenlijk altijd verstopt en ik praatte daar ook niet over. Ik ben toen door alles wat er speelde ook naar 3 vmbo gaan, want anders moest ik 2 havo opnieuw doen. Ik merkte erg het verschil in de niveaus en hoe er onderling op elkaar werd neergekeken. Dat hielp niet mee met mijn zelfbeeld. Ik verloor hier wel wat contact met mijn vrienden van de havo, en ik werd een stuk eenzamer. Gek genoeg nam de zelfbeschadiging in deze periode af. Waar deze afname van zelfbeschadiging vandaan kwam is voor mij nog steeds niet echt duidelijk, dat school minder stress gaf heeft hier waarschijnlijk aan bijgedragen.
Mijn vmbo-examen heb ik toen heel makkelijk gehaald, zonder echt te studeren eigenlijk. Dit gaf een kleine boost van zelfvertrouwen, maar ergens ook het oordeel dat ik hier niet echt trots op mag zijn, want ik heb er weinig voor gedaan. Hierna ben ik de opleiding tot pedagogisch medewerker gaan doen. Hier moest ik naast een stage ook allerlei opdrachten doen. Deze deed ik helemaal niet, maar hier sprak ik met niemand over, waardoor ik vast liep op school zonder dat iemand dat in de gaten had. Het ging toen steeds slechter. Ik belandde in een negatieve spiraal met daarbij opnieuw zelfbeschadiging waar ik steeds verder in wegzakte.
Ik had nergens meer interesses in. Er was een bepaalde leegte. Het voelde alsof ik er helemaal alleen voor stond. In dit gevoel van eenzaamheid hield ik mezelf ook voor dat het goed met me ging, of dat het wel goed zou komen. Doordat ik mezelf hier nog best goed van kon overtuigen was het voor anderen ook lastig om te zien hoe slecht het eigenlijk met mij ging. Mijn mentor op het MBO was de eerste die zag dat het niet goed met mij ging, maar doordat ik haar vermoedens ontkende, kon zij daar ook weinig mee. Ik ben toen gaan nadenken over methoden tot zelfdoding, maar de tweestrijd was eigenlijk zo groot, dat ik het ook niet echt wilde en kon.
De tweestrijd is ingewikkeld. Ergens wilde ik het leven wel een kans geven, ergens ook niet meer. Wat mij precies tegenhield om echt een poging te doen weet ik niet. Een combinatie van angst voor de pijn, wat er na de dood komt, hoe het voor mijn moeder zou zijn. Allemaal mogelijke redenen om het niet te doen. Vaak heb ik op het punt gestaan, maar deze angsten hebben me er toch van weerhouden om een poging tot zelfdoding te doen.
Ik zat op dit moment ook op een platform met andere jongeren die aan zelfdoding dachten. Aan de ene kant was dit lastig, aan de andere kant ook een fijne plek waar ik mijn somberheid goed kwijt kon. Met de ene jongere had ik een prettig gesprek, de andere zorgde er juist voor dat ik mezelf meer pijn deed. Mijn ouders zijn achter deze periode van zelfbeschadiging gekomen toen de zelfbeschadiging, tijdens het avondeten, opviel bij mijn zusje.
Vanaf dat moment is alles in een sneltrein vaart gegaan. Als 16-jarige heb je op dat moment niet echt de keuze of je wilt delen wat er speelt. Ik heb mijn moeder een “eerste laag” verteld van wat er speelde en waar ik mee bezig was. Dat was ook lastig omdat ik mij realiseerde hoeveel pijn het haar deed. Toch heb ik veel gepraat en is er toen ook meer hulp ingeschakeld. Ik ben toen een aantal dagen uit huis gegaan en heb een paar dagen bij een familielid gelogeerd.
In eerste instantie liep de zelfbeschadiging meer uit de hand. Waar het eerst echt iets van mezelf was, wist nu iedereen het, waar ik mezelf dan beschadigde en hoeveel ik dat deed maakte toen voor mij niet meer uit. Het was geen geheim meer, dus toen kon ik het juist meer doen. Toch kwam er langzaam ook nieuw gedrag: ik vroeg daarna wel steeds vaker om hulp met de verzorging.
Ik ben gelukkig erg snel in behandeling geraakt. Toen de behandeling begon, werden mijn klachten eerst erger. Ook ontstonden er in deze periode nieuwe angsten. Sociale angst weerhield me ervan om naar buiten te gaan en zelf met het OV te reizen. Mijn therapeuten vonden het hierdoor erg belangrijk dat ik dingen bleef ondernemen. Wekelijks hadden we het over dat ik zou oefenen met het reizen met OV of dat ik naar de sportschool zou gaan.
Eigenlijk was ik hier helemaal nog niet klaar voor, wat dan voor veel teleurstelling zorgde als ik weer therapie had. Dat mijn therapeuten niet aansloten bij waar ik klaar voor was, riep met name bij m’n moeder steeds meer moedeloosheid op. Zelf heb ik een lange tijd de gesprekken met mijn moeder, als we naar huis reden na therapie of school, als meer helpend ervaren dan de therapieën zelf.
Uiteindelijk, door veel steun van m’n moeder, heb ik wel m’n studie af kunnen ronden. Met daarnaast een therapeut die bij mij thuis langs zou komen. Vaak kwam ik afspraken niet na vanuit de enorme angst die ik erbij voelde. Dit maakte de samenwerking wel erg lastig. Hier zijn ze op een gegeven moment achter gekomen, en toen ben ik eigenlijk ‘ineens’ wel dingen gaan doen. Hierin hielp het dat mijn nieuwe behandelaar die ik toen kreeg mij niet veroordeelde voor wat ik niet kon en deed. Samen keken we naar wat er juist wel haalbaar voor mij was. Dit zorgde voor mij voor genoeg ruimte om op mijn manier aan deze dingen te werken.
Ik heb nog lang de gedachte gehad dat het leven niet zo hoeft, maar ik had niet de behoefte om ernaar te handelen. Ik was erg op zoek naar een soort zingeving in het leven. Ik had toen een nieuwe therapeut die wat meer doorvroeg. Als ik zei ‘het gaat goed’ dan zei zij ‘hoe merk je dat?’ bijvoorbeeld. Dat hielp omdat ik niet meer wegkwam met simpele antwoorden. Ook was in alle jaren dat het slecht ging, mijn zelfzorg enorm afgenomen. Dit was iets wat ik echt moest gaan leren, en daarbij moest ik mezelf weer terug gaan vinden.
Langzaam en in kleine stappen ging ik weer nieuwe dingen ondernemen en werkte ik aan mijn zelfzorg. Nieuwe vriendschappen ontstonden, ik ging weer sporten en begon met nieuw werk en een studie. Ik begon een stuk beter in m’n vel te zitten en had zelfs momenten waarop ik tevreden over mijzelf was. Stukje bij beetje leek ik de regie over en het plezier in het leven weer terug te krijgen.
Inmiddels is het een paar jaar verder. Zingeving heb ik onder andere gevonden in mijn huidige werk als hulpverlener bij 113 Zelfmoordpreventie. Het is fijn om anderen te kunnen helpen. Dat helpt ook met de verwerking van mijn eigen verleden.
Daarnaast heb ik de laatste tijd ook zingeving gevonden in het sporten, dit helpt mij om de dagen energiek te beginnen, en in het contact met m’n dierbaren. Ik denk dat zingeving iets heel persoonlijks is en ook fluctueert door het leven heen, het vinden van de juiste zingeving is dan weer een heel avontuur.